SHEILA 2


Want ik vertrouw op God – brief 6

Zesde brief aan Sheila.   In dit artikel willen we eens nadenken over de vitale les, die we in tijden van geestelijke depressie kunnen leren. Het heeft alles te maken met de inhoud van een bepaald lied, namelijk: “Staande op de beloften van God.”

Als je werkelijk in de diepte van een depressie zit, zul je waarschijnlijk geheel geen behoefte hebben in te bijbel te gaan lezen. Ik kan me nog tijden herinneren, dat ik zo in de put zat, dat de beloften in Gods Woord volkomen inhoudsloos leken. En eens toen ik enkele van de beloften in de bijbel las, flapte ik er uit: “Spot niet met me, Here.” Ik heb daar nu spijt van, hoewel ik er van overtuigd ben, dat de Here begreep hoe ik me voelde. Ik voelde dat de Here me verlaten had. Ik voelde dat de Here zijn rug naar me had toegekeerd. Ik voelde dat de Here mijn gebeden niet beantwoordde. Dit alles is kenmerkend als we ons in de greep van een diepe depressie bevinden.

Deze gevoelens duren echter niet eindeloos en langzamerhand ontdekken we dat we in onze bijbel hulp kunnen vinden. Een gedeelte, wat me echt aansprak, was Klaagliederen 3:1-26. Enkele psalmen boden ook hulp, op een manier, die ik nooit eerder ontdekt had. Als ik het moeilijk vond om te bidden, nam ik wel eens zo’n Psalm en las deze dan als mijn gebed tot God. Het was dan teveel gevraagd om zelf een gebed te formuleren, dus maakte ik gebruik van één van Davids gebeden. Vaak las ik alleen psalm 25 of psalm 86 en gebruikte die in plaats van mijn normaal dagelijks bijbellezen en gebed. Ik ben er zeker van dat de Here begrip had voor mijn onbekwaamheid tot het bestuderen van Zijn Woord en voor gebed zoals ik normaal deed. In Psalm 103:14 lezen we: “Want Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig dat wij stof zijn.”

Maar om terug te gaan naar het staan op de beloften van Gods Woord, heb ik ontdekt dat dit een erg noodzakelijke geestelijke oefening is. Van tijd tot tijd had ik in mijn christenleven periodes van twijfel omtrent mijn redding, en tijdens zo’n depressie keerde die twijfel in alle hevigheid terug. De duivel bedolf me onder alle gebruikelijke argumenten. “Je bent helemaal geen christen, het is allemaal maar verbeelding. Je houdt jezelf voor de gek en christendom kan helemaal niet bewezen worden. Als je werkelijk een christen was, dacht je dan dat je door zo’n moeilijke tijd als deze heen zou gaan? Je bent verloren en gaat naar de hel.” Je weet waarschijnlijk wel wat hij zoal in je gedachten pompt, als je in de greep van een depressie bent.

ANGST EN TWIJFEL

De duivel viel me nog op andere fronten aan, die ik niet eerder ervaren had. één ervan was angst. Ik had nog nooit echte angst gekend, tot ik mezelf in het midden van een depressie bevond. Nachten lag ik wakker uit angst dat ik gek zou worden, bijna verlamd door de vrees dat het kwade bezit van me zou nemen.

Het is niet gemakkelijk te beschrijven, maar als je dit zelf hebt meegemaakt zul je het begrijpen. Van Abram staat in Genesis 15:12 beschreven dat hem een angstwekkende dikke duisternis overviel. Ik kan geen duidelijker beschrijving bedenken van wat ik bedoel. Dit leidde naar een ander symptoom. De duivel vertelde mij dat God mij verlaten had en mij gek zou laten worden; dat God dus niet te vertrouwen was. Dit was verschrikkelijk, want als ik God niet kon vertrouwen, wie dan wel?

Wij weten, dat de Here Jezus, toen Hij verzocht werd, het Woord van God gebruikte om de duivel te verslaan. En geleidelijk begon ik te leren dat Gods beloften, zoals deze in Zijn Woord beschreven staan, hét antwoord zijn op de aanvallen van de satan. Daar ik John Bunyan’s Pelgrimsreis vele malen gelezen had, had ik me de verhalen moeten herinneren over Christen en Hoopvol, die zich in het kasteel van Twijfel bevonden, en hoe reus Wanhoop hen regelmatig versloeg en hen wijsmaakte dat zelfmoord de enige uitweg was. Dat ging zo enige tijd door, totdat Christen zich herinnerde dat hij een sleutel bezat, genaamd Belofte, waarmee hij elke deur in het kasteel van de Twijfel kon openen. Ze ontdekten dat deze sleutel de deur van hun kerker opende; en de deur van het kasteelslot; en uiteindelijk ook de ijzeren poort, zodat ze uit de handen van reus Wanhoop konden ontsnappen.

Natuurlijk is er een geweldig verschil tussen het theoretisch kennen van deze dingen en ze in praktijk brengen. Maar tijdens mijn depressie werd me duidelijk dat ik langzaam maar zeker op voet van oorlog kwam te staan met de duivel, toen ik Gods beloften als mijn zwaard gebruikte. Het was een worsteling. Soms won ik; soms leek er weinig voortgang te zijn, en soms leek het of ik weer terug was op het punt waar ik begon. Maar de Here hielp mij en helpt me nog steeds als deze dingen terugkomen.

Hoe werkte dit nu in de praktijk?? Wel, voor zover het twijfels aangaande mijn redding betrof, begon ik Johannes 1:12 als mijn belofte te gebruiken.

“Doch allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden , hun die in Zijn naam geloven.” Ik zei dan tegen de duivel; “Dit is Gods belofte. Ik heb de Here Jezus als mijn Heiland aangenomen en ben daarom een kind van God. Ik voel me misschien geen christen ik ben misschien maar een heel slechte christen, maar ik rust op Gods beloften en weet dat ik een kind van God ben.” Eens ontmoette ik een fijne gelovige van meer dan tachtig jaar, die mij toevertrouwde dat ze soms vreselijke angst had, dat ze niet werkelijk behouden was en in de hel terecht zou komen. Dus kon ik met haar dit vers delen, dat ik als mijn zwaard gebruikte als de duivel mij iets soortgelijks vertelde. In Johannes 5:24 staat: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie Mijn Woord hoort en Hem gelooft die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven”

Ik vroeg deze oude dame; ” Hebt u de Here Jezus als uw Heiland aangenomen, en rust u voor uw behoud in Zijn volbrachte werk?” “O, ja!!” kwam haar antwoord. “Dan moet u de duivel er op attent maken, wat de Here Jezus hier belooft. Hij zei dat u niet in het oordeel zult komen, maar dat u bent overgegaan uit de dood in het leven, en ik geef er de voorkeur aan te geloven wat de Zoon van God zei, boven dat wat de duivel mij influistert, als ik in de put zit.”

Hoe kunnen we nu met die angst omgaan, die vooral s’nachts over ons komt? Voor mij is het memoriseren van Psalm 121 een echte hulp geweest. Ik herinner me hoe mijn vader mij een stuiver gaf voor elke psalm, die ik als jongen leerde en hoe dankbaar ik was, dat ik juist deze geleerd had. Als ik wakker lag en een afschuwelijke angst over me heen voelde komen, ging ik deze psalm voor mezelf opzeggen: “Ik hef mijn ogen op naar de bergen; vanwaar zal mijn hulp komen? Mijn hulp is van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft. Hij zal niet toelaten dat uw voet wankelt, uw Bewaarder zal niet sluimeren. Zie de Bewaarder van Israël sluimert noch slaapt. De Here is uw Bewaarder, de Here is uw schaduw aan uw rechterhand. De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts. De Here zal u bewaren voor alle kwaad, Hij zal uw ziel bewaren, de Here zal uw uitgang en uw ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid.”
Soms moest ik hem wel tien keer opzeggen voor ik in staat was te rusten in het feit dat de Here mijn Bewaarder was; dat Hij mij voor alle kwaad zou bewaren, dat Hij mij zou bewaren als ik sliep, omdat Hij nooit sluimert, en geleidelijk aan viel ik dan in slaap. 2 Timotheüs 1:7 was in zulke tijden ook een echte hulp: Want God heeft ons niet gegeven een Geest van lafhartigheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid. Ik ontdekte ook dat de duivel niet noodzakelijkerwijs meteen wegging, als ik deze verzen opzei. Hij is erg volhardend en ik moest echt standhouden in de strijd, maar uiteindelijk trok hij zich dan terug. Als de duivel mij vertelde dat God mij verlaten had, was de belofte van Hebreeën 13:5 mijn zwaard.
“Want Hij heeft gezegd, Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten.
Ik voerde dan het volgende tegen de duivel aan: Ik heb misschien het gevoel dat God mij verlaten heeft, ik ben me misschien niet bewust van Gods aanwezigheid, maar Hij heeft me beloofd dat Hij me niet zou begeven noch verlaten, dus ik weet dat de Here hier is.

GOD IS GETROUW
Twee andere gedeelten waren een grote hulp als de duivel mij vertelde dat ik door de druk mijn verstand aan het kwijtraken was. Jesaja 42:3 “Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal hij niet uitdoven.”
Ik voelde me vaak geknakt riet of een kwijnende vlaspit. Maar ik had Gods belofte dat ik niet ten onder zou gaan. Het tweede vers was 1 Korinthe 10:13 waar staat: “En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.”
Als de duivel zei; je gaat aan spanning ten onder, het is met je gedaan; dan was mijn antwoord; “God is getrouw, God is getrouw, God is getrouw.”
Ik voelde me vaak geknakt riet of een kwijnende vlaspit. Maar ik had Gods belofte dat ik niet ten onder zou gaan. Het tweede vers was 1 Korinthe 10:13 waar staat: “En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.”
Als de duivel zei; je gaat aan spanning ten onder, het is met je gedaan; dan was mijn antwoord; “God is getrouw, God is getrouw, God is getrouw.”
In Hebreeën 11:13 komt een uitdrukking voor die ons ook kan helpen. Het gaat over mensen die de belofte begroet hebben. Dit woord begroet kan ook vertaald worden met omarmd. Als ik mijn vrouw begroet, houd ik haar stevig tegen me aan en eis haar voor mezelf op. Ik toon haar dat ze mij toebehoort en dat ze voor mij erg dierbaar is. Als de Here je dus in een bepaalde situatie een belofte geeft, kun je die omarmen. Je kunt die dan stevig vasthouden en deze de jouwe maken.

God zoekt ons in een positie te brengen, waarin we geestelijk kunnen groeien en bereid moeten zijn Hem volkomen te vertrouwen. Denk eens aan diegenen in de bijbel die handelden op basis van een eenvoudig geloof op Gods beloften. Noach begon midden in het land een ark te bouwen en werd zonder twijfel bespot door zijn medemensen. Waarom zou hij zoiets belachelijks ondernemen? Omdat hij vertrouwde op de beloften van God. genesis 6:17-18)

Abraham verliet zijn vaderland en ging uit naar een ver land dat hij nooit gezien had. Waarom zou iemand zijn veiligheid en opgebouwd bestaan verlaten om naar het onbekende te gaan? Omdat hij vertrouwde op de belofte van God.(Genesis 12:1-4)

Later kreeg Abraham de opdracht zijn zoon Isaäk te offeren als een brandoffer, en dat ondanks het feit dat God beloofd had uit Isaäk een groot volk te maken. Waarom zou iemand zo’n vreemd bevel zonder aarzelen gehoorzamen? Omdat hij de belofte van God vertrouwde.(Hebreeën 11:17-19)

Mozes trotseerde Farao, de machtigste koning uit die tijd, met de opdracht dat hij al zijn slaven moest vrijlaten om de woestijn in te trekken. Waarom zou hij door zo’n alles te buiten gaand bevel zijn nek riskeren? Omdat hij de belofte van God vertrouwde. (Exodus 3:7-10)

Jozua gaf de kinderen Israëls bevel elke dag één maal rond de muren van Jericho te lopen en op de zevende dag zeven maal. Waarom zoiets vreemds? Omdat hij de belofte van God vertrouwde. (Jozua 6:1-5) Gideon leidde driehonderd man tegen een leger, waarvan Richteren 7:12 zegt:

“Midiam nu en Amelek en alle stammen van het Oosten lagen in de vlakte, talrijk als sprinkhanen.”

Waarom zou iemand de strijd aanbinden tegen een leger wat in aantal zo duidelijk de baas was? Omdat hij de belofte van God vertrouwde.(Richteren7:7) Elia ging naar de koning Achab en verklaarde dat er geen dauw of regen zou zijn in het land, tenzij op zijn woord. Hoe kon hij zo zeker van zichzelf zijn, door zo’n harde voorspelling te doen. Omdat hij de belofte van God vertrouwde. (1Koningen 17:1)

Deze mensen hebben geleerd vóór alles te rusten in Gods beloften. Het gaat er om dat wij in onze tijden van depressie een geweldige gelegenheid hebben deze lessen te leren. Zo’n les zal ons nooit verlaten en door ons hele leven heen bruikbaar en een hulp blijven. We kunnen leren hoe we de aanvallen van de vijand door een juist gebruik van ons zwaard kunnen afweren, en deze bekwaamheid zal ons in staat stellen vat te krijgen op andere geestelijke waarheden. We zullen misschien veel fouten maken als we voor het eerst op deze manier strijden. Maar door ons christenleven heen zullen we voortgaan met leren, net als soldaten die langzaam aan gewend raken aan hun uitrusting en bruikbaarder worden in de strijd. Deze lessen zullen van grote waarde zijn op onze aardse pelgrimsreis.

Paulus was op een schip in de Middellandse zee met tweehonderd-vijfenzeventig andere personen. Er stak een storm op die twee weken duurde. Overdag en s’ nachts bedekten de wolken de hemel en de zeelui hadden er een harde dobber aan het schip drijvende te houden. Hoop op redding was bijna uitgesloten. De meeste mannen waren volkomen uitgeput daar ze dagenlang noch gegeten noch geslapen hadden. Niemand wist waar ze waren. De situatie kon nauwelijks moeilijker worden. Toen stond Paulus op en vertelde iedereen aan boord dat geen enkel leven zou verloren gaan. Allen zouden gered worden. Hij nam zelfs een goede maaltijd en moedigde iedereen aan het zelfde te doen. Waarom was er het grote verschil tussen Paulus en de anderen? Hoe kon hij zo zeker zijn van wat hij zei? Hoe kon hij zo’n vrede hebben? Een engel was hem verschenen met een belofte van God en dat was genoeg voor Paulus. Luister eenvoudig naar zijn woorden:

“Want dit vertrouwen heb ik op God, dat het zo zal gaan als het mij gezegd is.”

Lees het voor jezelf in Handelingen 27:25. Houdt dit beeld in je gedachten, een man in het midden van een storm, maar staande op de beloften van God, die nog nooit gefaald hebben. Het zal gaan zoals God gezegd heeft.



zevende brief aan Sheila
“Nochtans wil ik juichen in de Here”

2 thoughts to “SHEILA 2”

  1. Nochtans wil ik juichen in de Here – brief 7

    Zevende brief aan Sheila.

    Verborgen tussen de kleine profeten bevindt zich een klein boek, waaruit we een heel aantal geestelijke lessen kunnen leren, met name in tijden van depressie.
    Ik vraag me af of je je ooit zorgen maakt over de dingen die in de wereld om je heen gebeuren. Toen ik depressief was. kwam ik op een punt dat ik niet langer de kranten wilde lezen of naar het nieuws wilde luisteren, omdat het allemaal volslagen hopeloos leek. Ik denk niet dat ik met enige overtuiging had kunnen zingen: “De Heer regeert, Zijn Koninkrijk staat vast”. Want het leek er op dat het kwade steeds meer de overhand kreeg. Het leek of het nieuws alleen maar melding maakte van nieuwe golven van geweld in ons eigen land of elders. Het leek wel of overal onrust was en afbreuk aan de wet en het gezag werd gedaan. En omdat ik zelf zo in de put zat, was het gewoon teveel om over al deze dingen na te denken.
    Vandaag de dag is het nieuws vrijwel gelijk, maar omdat mijn depressie opgeheven is, kan ik er naar luisteren en overspoelt het mij niet. Het is niet zo dat het nieuws veranderd is, maar mijn houding is veranderd. En dat is precies wat er ook met Habakuk ongeveer 600 jaar voor de komst van de Here Jezus gebeurde. Laten wij eens kijken hoe Habakuk precies dezelfde lessen moest leren als wij.

    VERWARRING EN VERBIJSTERING

    In hoofdstuk 1 treffen we een dialoog aan tussen de profeet en God. Habakuk begon met zijn beklag te maken over de afschuwelijke toestand van de samenleving rondom hem. Het lijkt precies op deze tijd.
    “Hoe lang, Here, roep ik om hulp en Gij hoort niet. Schreeuw ik tot U: Geweld, en Gij verlost niet? Waarom doet Gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt Gij ellende? Ja, onderdrukking en geweld zijn voor mijn ogen; er is twist en tweedracht verheft zich. Daarom verliest de wet haar kracht en nimmer komt het recht tevoorschijn. Want de goddeloze omsingelt de rechtvaardige, daarom komt het recht verdraaid tevoorschijn.” (Habakuk 1:2-4)
    Merk op hoe de profeet zijn beklag doet, over een blijkbaar onbeantwoord gebed, over toenemend geweld, over diegenen die onderdrukking en geweld plegen, over wet en gezag die aan kracht verliezen, en over de goddeloze die ten koste van de rechtvaardige voorspoed geniet. We kunnen ons indenken hoe hij zich voelde, toen hij met zijn klachten tot God kwam. Gods antwoord in de verzen 5-11 was zeer zeker niet wat Habakuk verwachtte. God vertelde hem dat Hij de Chaldeeën ging toestaan het land in bezit te nemen en dat zij het instrument van het oordeel waren, vanwege de zondigheid van Zijn volk.
    We kunnen in het bijzonder opmerken dat God zegt: “IK doe een werk in uw dagen…..IK verwek de Chaldeeën….” God was nog op de troon en alles werd volgens Zijn wil uitgevoerd. Maar natuurlijk bracht dit Habakuk in nog grotere verwarring, zoals we uit zijn antwoord in de verzen 12-17 kunnen opmaken. Hij kon begrip opbrengen voor het feit dat Gods volk oordeel en correctie verdiende, maar blijkens zijn vraag in vers 10 vond hij het niet eerlijk, dat God dit oordeel ten uitvoer zou brengen door een natie, die meer verdorven was dan zijn eigen volk. De dingen werden van kwaad tot erger en ik vraag me af of Habakuk het eigenlijk niet betreurde dat hij die vragen gesteld had. Dit was zeer zeker niet het antwoord dat hij verwachtte.
    Het is interessant te zien dat Habakuk in dit hoofdstuk drie fundamentele vragen stelt, die van vitaal belang zijn.
    TEN EERSTE vraagt de profeet; “Hoelang?” in vers 2: Here waarom komt er geen antwoord op mijn gebed? Here hoelang duurt het nog voordat de uitkomst komt? Dit is de zelfde vraag die David in Psalm 13 vier keer stelt.
    TEN TWEEDE treffen we de vraag aan: “Waarom?” in vers 3. Waarom gebeurt dit allemaal Here? Waarom moet ik door dit alles heen gaan? Waarom komt U niet tussenbeide en doet iets, Here? In Psalm 10:1 stelt de psalmist dezelfde vragen. “Waarom Here, staat Gij van verre, verbergt Gij U in tijden van nood?”
    TEN DERDE vraagt Habakuk in vers 13: “Waarom, met welk doel?” Hij kon de tegenstelling niet begrijpen, waarmee een heilig God een zondig en afgodisch volk zou toestaan de joden onder de voet te lopen en het volk in gevangenschap te nemen. Here, ik begrijp het niet. Het lijkt me niet eerlijk. Het lijkt niet logisch. Het komt op mij over als een complete tegenstelling.
    De drie vragen die we in het eerste hoofdstuk van dit boek aantreffen hebben door alle eeuwen heen het verstand van Gods kinderen verbijsterd, en komen ook vaak voor in tijden van depressie.

    VERTROUW ME!!

    We zullen hoofdstuk 2 eens gaan bekijken en daar zien dat God antwoord geeft op alle drie vragen. We merken eerst even op dat Habakuk een antwoord verwachtte op zijn gebed in vers 1. Dit is natuurlijk van wezenlijk belang. Het heeft geen enkele zin te bidden als we niet verwachten dat God een antwoord gaat geven. In Hebreeën 11:6 lezen we:
    “Want wie tot God komt moet geloven dat Hij bestaat en een Beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.”
    Misschien moeten we wachten op een antwoord op gebed. Maar dat zal zeker komen, daar de Heer de profeet in vers drie verzekert: “Als het vertoeft, verbeid het.”
    Maar de sleutel tot het hele boek Habakuk kun je vinden in vers vier. We kunnen met recht opmerken dat dit in feite de sleutel is tot geheel Gods Woord. Het is de sleutel om het christenleven binnen te gaan en de sleutel om ook als christen te leven. Het is van zo’n vitaal belang dat het drie maal in het Nieuwe Testament herhaald wordt. Het vers begint met te zeggen: “Zie, opgeblazen, niet recht is zijn ziel in hem.” De persoon die tevreden is over zichzelf, zichzelf rechtvaardigt en zelfgenoegzaam is, kan geen omgang met God hebben.
    “Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.”
    Ik zou wel willen dat ik dit kilometers breed in de lucht kon schrijven. Dit is de kern van alle christelijke waarheid.
    “Zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn.” (Hebr.11:6)
    “Want door genade zijt gij behouden, door het geloof.” (Ef.2:8)
    “Want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen.” (2 Kor.5:7)
    “Neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand.” (Ef.6:16)
    DIT IS GODS ANTWOORD op de drie vragen die in hoofdstuk 1 gesteld worden. Kun je je voorstellen hoe God tegen de profeet zegt: “Jij vraagt, hoe lang, Habakuk? Maar Ik wil dat je Mij eenvoudig vertrouwt dat Ik op de juiste tijd zal antwoorden. Jij vraagt waarom, Habakuk? Maar Ik wil dat je vertrouwt dat Ik voor je zal zorgen. Jij vraagt waartoe, Habakuk? Ik weet dat jij niet begrijpt wat Ik doe, maar Ik wil dat je Mij eenvoudig vertrouwt.” Dit is ook precies wat de Here tot ons zegt, als we dezelfde vragen stellen. “Vertrouw Me, vertrouw Me.”
    Dit gedeelte helpt ons te verstaan dat ons geloof moet groeien door het te oefenen. Als God onze gebeden altijd onmiddellijk zou beantwoorden; als God de dingen precies zo zou doen zoals wij het ons hadden voorgesteld; als we nooit zouden botsen op de tegenstellingen die God toestaat, dan zou ons geloof slechts op een laag pitje staan. Maar als we God kunnen vertrouwen als Hij ons laat wachten Èn door de beproevingen en stormen van ons leven heen, Èn ook in de schijnbare tegenstellingen die Hij toestaat, dan is ons geloof in een verder gevorderd stadium aangeland.
    De rest van hoofdstuk twee spreekt vijf maal het “WEE” uit over het zondige volk. Het is niet helemaal duidelijk wie hier aan het woord is, maar ik heb de indruk dat God hier aan het woord is. Dit lijkt zo te zijn vanwege wat Habakuk in hoofdstuk 3 vers 2 zegt. Ik kan me voor de Chaldeeën niets verschrikkelijkers voorstellen dan deze goddelijke weeën, die boven hun hoofd hangen. Heel in het kort kunnen ze als volgt worden samengevat:
    vers 6- 8 WEE hem die anderen met geweld berooft.
    vers 9-11 WEE die zijn goederen door valse middelen vermeerdert
    vers 12-13 WEE hem die geweld gebruikt om zijn doel te bereiken
    vers 15-17 WEE hem die zich overgeeft aan dronkenschap en immoreel handelen
    vers 18-19 WEE hem die valse goden aanbidt.
    We moeten goed in gedachten houden dat God het laatste woord heeft. Het lijkt misschien dat de goddeloze voorspoed heeft en geniet van zijn zondige leven, maar Gods WEE wordt al over zulke mensen uitgesproken.
    “Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten, want wat de mens zaait, zal hij ook oogsten.” (Gal.6:7)
    We kunnen Gods antwoord aan de profeet dus op deze manier weergeven. “Habakuk, jij begrijpt misschien niet wat er aan de hand is. Het zal er op lijken dat de goddeloze voorspoed heeft. Je zult voor jouw problemen geen onmiddellijke oplossing zien. De dingen zullen van kwaad tot erger worden, maar Ik wil dat je Mij vertrouwt. IK zal uiteindelijk met alles klaarkomen en er komt een dag van oordeel, waarop Mijn wraak over het zondige zal uitgestort worden. Er komt een tijd waarop de aarde vervuld zal zijn met de kennis van de heerlijkheid van de Here, zoals de wateren de zee bedekken.(vers 14) In de tussenliggende tijd wil Ik dat je geloof oefent; vertrouw eenvoudig op MIJ.”Dit is Gods antwoord op al de vragen uit hoofdstuk 1. En dit is ook voor ons in onze wereld een hulp, als er zoveel is dat ons verbijsterd en ter neer drukt.
    “God heeft een dag bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een Man, die Hij aangewezen heeft.” (Hand.17:31)
    In Psalm 73 kun je lezen hoe Asaf door sommige van dezelfde problemen in de war werd gebracht. Merk zijn conclusies in de verzen 17-24 op, en tot welke houding hij kwam in vers 25-28.

    VOETEN ALS HINDEN

    We zullen nu hoofdstuk 3 bekijken en zien of Habakuk geleerd heeft van Gods aanwijzing. Hij lijkt duidelijk dat deze profeet ÈÈn van de tempelzangers was, en dat dit hoofdstuk geschreven was om als psalm gezongen te worden. Als je het leest, lijkt het ook echt een psalm. Habakuk was ten diepste betrokken bij wat hij had gehoord. Hij was herinnerd aan Gods almacht en hier schreef hij over, terwijl hij daarbij verslag deed, hoe God in vroeger tijden zijn volk bevrijd had. (vers 3-16).
    Het is duidelijk dat de schrijver zijn ogen nu vast op de Here en op Zijn beloften gericht had en daardoor niet meer zo over de situatie inzat. Als we de laatste drie verzen van het boek lezen komen we in de verleiding ons af te vragen of dit wel dezelfde persoon kan zijn, die in hoofdstuk 1 zo gedeprimeerd en ontmoedigt was. Wat was er veranderd? Niet de situatie, die bleef net zo slecht als ooit. Maar Habakuks houding ten aanzien van de situatie was veranderd. Hoe beroerd de zaken er ook voor mochten staan, en hij was er zelfs op voorbereid dat het nog slechter zou worden (vers 17), toch zegt hij dat hij in de Here zal juichen en zal jubelen in de God van zijn heil.
    Uiterlijke omstandigheden kunnen de persoon, die door geloof zijn wortels in de Almachtige heeft, niet van zijn stuk brengen; net zo min als de stormen de machtige eik kunnen aantasten, die zijn wortels gedurende een periode van vele jaren in de grond heeft ingegraven. Habakuk had de belofte van God nu stevig onder de voeten, en de golven van verbijstering en verwarring die hem omringden, konden hem niet uit zijn positie trekken.
    Hoe heerlijk is het te kunnen zeggen: “De Here is mijn kracht.” (vers 19) Het herinnert me aan een van mijn favoriete verzen uit de Bijbel. Het is heel eenvoudig en toch uitermate verheven. Er staan in dit vers geen woorden waar je een woordenboek voor nodig hebt, en toch zijn z’n lessen zo groot, dat we ze niet ten volle kunnen bevatten. Ik spreek over psalm 121:2: “Mijn hulp is van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft.” Stel je eens voor: God, die het heelal gemaakt heeft, staat klaar om door een enkel woord Zijn hulp en Zijn kracht te schenken.
    In het licht van dit vers hebben de problemen niet het laatste woord. Er is uitzicht in de moeilijkheden, omdat ik hulp kan verwachten van Een, Die Almachtig is. Habakuk eindigt dan met een uitdrukking, waarvan ik me voorstel dat hij die als een tempelzanger vele malen gezongen moet hebben. “Die mijn voeten maakt als die der hinden en mij op mijn hoogten doet staan.”
    David heeft deze woorden ook uitgesproken ten tijde dat hij verlost werd uit de hand van Saul. (2 Sam.22) Je zult je herinneren dat hij jarenlang als een vluchteling achtervolgd is. Met zijn volgelingen was hij ontsnapt aan Sauls aanvallen en had heel wat tijd doorgebracht in woest en onherbergzaam gebied, waarbij de grotten vaak zijn thuis waren. Zonder twijfel had hij de berghinden gade geslagen. Deze bewogen zich met gemak over de rotsachtige gebergten, waar een mens slechts met pijn en moeite op handen en voeten voort kan krabbelen. Zie je, God had de voeten van de hinden zo ontworpen, dat ze voor dit landschap geschikt waren. Hij had er voor gezorgd dat ze makkelijk en in absolute veiligheid over deze heuvels konden springen en rennen.
    Als het aankomt op de heuvels van moeiten en bergen van beproeving, is God in staat ons voeten te geven die dit aankunnen. Uit onszelf zouden we proberen op handen en voeten vooruit proberen te kruipen, waarbij we ons zouden bezeren en verwonden, maar Habakuk zegt met stelligheid: “Hij zal mijn voeten maken als die der hinden.” Hiervoor kunnen we naar de Here opzien, zodat de lasten die ons dreigen te vermorzelen, stenen worden waar we in geloof overheen kunnen stappen.

    OPZIEN NAAR HEM

    Aan het eind van dit boek zien we dus een heel andere Habakuk dan we aan het begin zagen. Hij begon vol vragen, twijfels, klachten en onbegrip, maar hij eindigt triomferend, met zijn geloof vast gevestigd op de beloften van God.
    Samengevat is de les van dit boek, dat we onze ogen van de omstandigheden moeten afwenden en op de Here en zijn beloften moeten vestigen. Nehemia moest het volk aan dezelfde les herinneren, toen ze overweldigd werden door de bedreigingen van de vijanden en de hoeveelheid afval die ze, ten tijde dat ze de muren van Jeruzalem zochten te herbouwen, moesten verwijderen.
    Lees hoofdstuk 4 en let eens bijzonder op vers 14. “Denk aan de grote en geduchte Here”, alsof Nehemia moest zeggen: jullie hebben naar de moeilijkheden gekeken. Vestig nu je ogen op de Here, die ons bevolen heeft te herbouwen en die beloofd heeft ons te zegenen en ons voorspoedig te doen zijn. Jesaja had voor het volk van zijn dagen een soort gelijke boodschap. Lees hoofdstuk 40 en denk eens bijzonder over de eerste woorden van vers 10 na. “Zie, hier is uw God.” Veel van dit hoofdstuk bevat beschrijvingen over Gods grootheid en macht. Tot onze grote troost vinden we hier dat zijn macht beschikbaar is voor ons. In vers 29 staat:

    “Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte.”

    Petrus moest dezelfde les leren, terwijl hij over de golven liep. Het gaat mis als we naar de golven om ons heen kijken. We moeten onze ogen op de Here gericht houden. En in tijden als je het gevoel hebt, dat je zinkt, kijk dan op naar Hem, die Zijn hand uitgestrekt heeft en Hij zal je vastgrijpen en je omhoog trekken.

    Laatste deel volgt en heet “Doch later…”

  2. Doch later…… (8)

    Achtste en laatste brief aan Sheila.

    Een van de akeligste aspekten van een tijd van depressie is het gevoel dat er nooit een einde aan zal komen. Het lijkt of we niet de energie kunnen opbrengen om uit de diepte te geraken. We hebben het gevoel dat er een grote wolk op ons is neergedaald die nooit meer weg zal gaan.
    Zo is het natuurlijk niet. Het mag lang duren, in sommige gevallen zelfs jaren inplaats van maanden, mar er zal uitkomst komen. De tunnel is dan misschien wel lang en donker, maar er is aan het einde licht.
    Voor de meesten komt het einde van een depressie niet zomaar in één keer. We maken ups en downs mee. Soms hebben we het gevoel dat we vooruit komen, maar ook wel dat we weer terug vallen. Het gaat maar langzaam en aarzelend, maar er is vooruitgang.
    Ik herinner me nog een fijne, oude gelovige die de volgende illustratie hiervoor gebruikte.Toen ze nog een klein meisje was kon ze vaak naar de trein kijken. In het traject dat ze kon overzien, bevonden zich verscheidene tunnels, en zo zag ze steeds, dat de stoomtrein in een tunnel verdween. Dan moest ze even wachten, totdat de locomotief uit de tunnel kwam geschoten en wee zichtbaar was. Kort daarop verdween de trein weer in een tunnel, en dit herhaalde zich enige malen. De passagiers in de trein hadden dus een tijd van zonlicht, gevold door duisternis, dan weer de vreugde van het zonlicht, en opnieuw duisternis. Maar uiteindelijk waren alle tunnels afgewerkt en bevonden de passagiers zich voorgoed in het licht.
    In dat verband zou ik twee kostbare gedeelten met je willen doornemen, met de klemtoon op een bepaald woord. In Psalm 66 vers 10-12 lezen we: Want Gij hebt ons getoetst, O God ons gelouterd, gelijk men zilver loutert; Gij hebt ons in het net gebracht, banden gelegd om onze heupen; Gij deed mensen over ons hoofd rijden, we zijn door vuur en door water gegaan”. Verder lezen we in Jesaja 43:2: “Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u, gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden”. Zie je de geweldige betekenis van dat woord ?
    We worden niet zomaar in het vuur geleid en het water geleid. We komen niet zomaar in de rivieren van moeilijkheden terecht, we gaan er doorheen. Sta in tijden van wanhoop vast op de beloften. Een ander probleem dat ons in tijden van depressie aangrijpt, is de klaarblijkelijke zinloosheid ervan. Hij heeft er in het geheel niet de schijn van dat het ons geestelijk gezien voorwaarts helpt, in feite eerder het tegenovergestelde. We hebben het gevoel dat we niet van nut zijn voor de Here, voor anderen of voor onszelf. Maar ook dit is niet waar. Ik geef toe, dat we misschien voor een zekere tijd ons moeten terugtrekken uit de frontlinie van de strijd. Anderen moeten misschien onze christelijke taak overnemen, omdat wij er op dat moment niet tegen kunnen, maar het is verre van zinloos. In een vorige brief hebben we reeds veel gesproken over het feit dat het de Here Zelf is die in feite toestaat, dat we in de duisternis geleid worden. Laten we de verzen uit Psalm 66 nog eens lezen, en de nadruk leggen op een ander woord: “Want Gij hebt ons getoetst, o God, ons gelouterd, gelijk men zilver loutert; Gij hebt ons in het net gebracht, banden gelegd om onze heupen; Gij deed mensen over ons hoofd rijden”. We kunnen er absoluut zeker van zijn, dat de Here een plan uitwerkt, als Hij ons in zulke vreemde wegen leidt.
    Er is steeds een eindprodukt in zicht. In de Bijbel vinden we drie beelden, die ons dit duidelijk kunnen maken. Het eerste is een beeld van de vader en het kind. Dit wordt ons verteld in Hebr. 12:5-1. In deze verzen staan vele lessen voor ons. In de versen 5 en 6 haalt de schrijver spreuken 3:11 en 12 aan. We moeten de kastijding van de Here niet versmaden . We moeten er niet op hopen vrij te worden van Zijn kastijding of dit als zinloos beschouwen. De redenen hiervoor worden ons gegeven.

    Ten eerste blijkt uit het feit, dat wij gekastijd worden, dat de Here ons liefheeft. “Want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here”. Dezelfde waarheid kunnen we vinden in Openbaringen 3:19: “Allen die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik. Daar ik zelf een vader ben, kan ik dat begrijpen. Ik tuchtig mijn kinderen, omdat ik ze liefheb. Het feit, dat er wel eens klappen worden uitgedeeld, betekent niet dat ik ze haat of niet om hen geef. De waarheid is juist omgekeerd; het is omdat ik zoveel om ze geef en zoveel van ze houd, dat ik hun welzijn op het oog heb. Ze moeten nog veel leren om te kunnen opgroeien tot bruikbare leden van de gemeenschap, en de kastijding van vader is soms de enige manier om deze lessen te leren. Het lijkt een tegenstelling, maar je moeilijkheden tonen aan, dat je hemelse Vader je liefheeft. In vers 9 staat : “Voorts, de tuchtiging van onze vader naar het vlees hebben wij ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen wij ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten, en leven ? “. Ik ben me er als een aardse vader van bewust, dat mijn oordeel in het tuchtigen van mijn kinderen niet altijd juist is. Ik denk dat alle ouders zich van hun tekortkomingen bewust zijn. Aan Gods kant worden echter geen fouten gemaakt. Hij is alwijs en we kunnen Hem volledig vertrouwen.
    Ten tweede zien we dat er een eindprodukt is als resultaat van de kastijding. Kastijding is niet zomaar iets, waarmee God zijn Liefde voor ons toont, maar het heeft ook een uitwerking in ons leven. In vers 10 en 11 lezen we: “Want zij hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar Hij doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen aan Zijn heiligheid. Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid”.
    In al Zijn handelen met ons heeft God een doel op het oog. Zijn bedoeling is dat wij gelijkvormig zouden worden aan het beeld van Zijn Zoon (Rom. 8:28). Hij wil dat wij heilig zijn. In feite gebiedt Hij ons heilig te zijn zoals Hij heilig is. Misschien ben je op het moment niet in staat dit te zien, maar datgene waar je nu doorheen gaat, zal op grotere heiligheid tot gevolg hebben. Je wordt er zeer zeker in onderwezen dat je niet op jezelf kunt vertrouwen. Je leert hoe zwak je van je zelf bent. Je wordt er toe gedwongen ten volle op de Heer te leunen, en dat moet heilzame vrucht afwerpen.

    Het tweede beeld waar we aan kunnen denken, is dat van de goudsmid. Mijn kennis van goudsmeden staat op een niet al te hoog peil, maar ik heb begrepen dat goud en zilver zover verhit moeten worden, dat alle onreinheden naar de oppervlakte komen en verwijderd kunnen worden. De goudsmid is verantwoordelijk voor de juiste hitte van de oven. Hij zal de hitte zolang in stand houden als nodig is. Als al de droesem uiteindelijk verwijderd is, kan hij zijn eigen beeld in het gesmolten metaal volmaakt weerspiegeld zien.
    Stel nu eens de Here als de grote hemelse Goudsmid voor. Job dacht op die manier aan de Here, toen hij zei: “Want Hij weet hoe mijn wandel is, toetste Hij mij. ik kwam als goud tevoorschijn (Job 23:10). Job was zich bewust dat zijn verlies en smart de oven van de Goudsmid waren, en hij wist dat hij uiteindelijk er doorheen zou komen met zijn geloof gezuiverd als goud. Kun je zien dat dit waar is voor jou ?
    God sprak door de profeet Jesaja tot Zijn volk: “Ik wil Mijn hand tegen u keren en Ik zal uw slakken verwijderen”(Jes. 1:25). Zijn bedoeling is altijd dat het eindprodukt heiligheid en zuiverheid zou zijn. Dit kun je ook in Maleachie 3:3 zien. “Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en zilver, opdat zij de Here in gerechtigheid offer brengen”.
    Er is zoveel droesem en onzuiverheid, maar de Here werkt geduldig verder. Ik herinner me dat ik dit in gedachten had, toen ik zelf werkelijk in de diepte was. Het leek of de Here, als de hemelse Goudsmid, toestond dat de hitte te groot werd, en soms riep ik het uit: : Here, ik kan het niet meer aan”. Dan temperde Hij het vuur, óf gaf me extra genade om de hitte te doorstaan. In ieder geval bracht Hij me er veilig doorheen. Bedenk steeds weer, dat Hij de alwijze Goudsmid is. Hij kent het materiaal waarmee Hij werkt. Hij weet hoeveel hitte nodig is om de droesem te voorschijn te doen komen. Hij weet ook precies wanneer Hij het vuur moet doven. O, mag Hij toch in mij, voordat Hij Zijn werk voleindigt, Zijn beeltenis zien !

    Het derde beeld dat ons kan helpen, is dat van de tuinman met zijn snoeischaar. Je kunt je hem aan het werk voorstellen met een wijnstok. Hij lijkt zo meedogenloos. Her en der snijdt hij stukken weg. Op die plaatsen bloedt de wijnstok en een ondeskundige zou zich afvragen waarom dit alles noodzakelijk was. De wijnstok ziet er in zijn ogen goed uit. Het lijkt of hij prima groeit en de pijnlijke snoeiing schijnt overbodig. Maar de ervaren wijngaardeniers stelt belang in vruchtbaarheid. Hij weet, dat de enige manier om de wijnstok overvloedig en sappig fruit te doen voortbrengen is dat hij een gedeelte van de groei met zijn scherpe snoeimes wegsnijdt.
    Is dat niet precies wat de Here in gedachten had, toen Hij zei: “Elke rank die wel vrucht draagt, snoeit Hij, opdat zij meer vrucht drage”. Er is een doel. Wil je niet dat je leven vruchtbaar is voor God ? Schrik dan niet terug voor de snoeischaren van de hemelse Wijngaardenier.

    Uit de illustraties kunnen we dus zien, dat tijden van depressie, twijfel en wanhoop zeer zeker niet zinloos zijn. De kastijding leidt tot heiligheid, de loutering leidt tot zuiverheid, et snoeien leidt tot vruchtbaarheid.
    Natuurlijk is kastijding op zichzelf erg onprettig, de loutering uiterst onaangenaam en het snoeien zeer pijnlijk, maar het zal het ook waard zijn. Als ik terug kijk op de periode waarin ik zelf aan depressie leed, dan ben ik nu in staat de Here van harte te danken voor al datgene wat Hij mij geleerd heeft. In vel opzichten was het een vreselijke tijd, niet in het minst voor mijn vrouw, die zo’n steunpilaar voor mij was. Vaak kwam ik aan het einde van mijzelf, en had het gevoel dat ik eenvoudig niet verder kon. Vaak wilde ik het bijltje er bij neerleggen. Vaak had ik het gevoel dat alles afgelopen was, dat ik nooit in staat zou zijn de Here weer te dienen, en dat ik nooit mijn plaats als een normale echtgenoot en vader zou kunnen innemen.
    Mar de Here heeft mij er doorheen gebracht. In deze brief heb ik de enige lessen doorgegeven die ik geleerd heb. Iets hiervan zal ook voor jou een hulp zijn. In de komende jaren zul je terugkijken en God danken voor je depressie. Ondanks alles waar je doorheen gegaan zult zijn, zul je dan met David in Psalm 18:31 kunnen zeggen: “Gods weg is volmaakt”.

    Dit was de laatste brief aan Sheila geschreven door Alan J. Greenbank.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *