Flavius Josephus geschiedschrijver

Veel van wat we weten over de Joodse geschieden is in de periode 300 v.Chr. tot 100 n.Chr. is bekend door de werken van Flavius Josephus: de overwinningen van Alexander de Grote, het bestuur van de Griekse vorsten in Palestina (de Ptolemeeën en de Seleuciden), de heerschappij van de Hasmoneeën en later de Romeinen. Josephus beschrijft uitgebreid de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 n.Chr. Al deze historische informatie was van groot belang voor de kerk, die lange tijd de belangrijkste overleveraar van geschriften was. De kerk had de macht, het geld en de handen om de teksten te kopiëren waarvan haar leiders het belangrijk vonden dat ze gelezen werden. Het werk van Josephus hoorde daar zeker toe: het vertelt immers over de tijd waarin het christendom opkwam.
En er was nog iets wat wellicht meegespeeld heeft.
In een van zijn werken spreekt Josephus over een figuur die leefde in de eerste eeuw, genaamd Jezus; een man die veel volgelingen had. Jezus was dus niet alleen bekend uit de evangeliën, maar ook uit het werk van iemand die in dezelfde tijd als de evangelisten leefde: bijna een ooggetuige. Daarmee werd Josephus voor de kerk een belangrijke, niet‐christelijke, getuige van het bestaan van Jezus en dus van de historiciteit van haar centrale figuur.
Het werk van Josephus bevat een schat aan informatie over de geschiedenis van het Joodse volk, over zijn eigen tijd en over het jodendom in de eerste eeuw van onze jaartelling. Er zijn vier werken van hem bekend, en we moeten ervan uitgaan dat dat alles is wat hij geschreven heeft. Van zijn hand verscheen een verslag van de Joodse Oorlog met de periode die daaraan voorafging (De bello judaico, ‘Over de Joodse Oorlog’), een geschiedenis van het. Joodse volk van de Schepping tot aan zijn eigen tijd (Antiquitates judaicae, ‘Joodse oudheden’), een autobiografie (Vita, ‘Leven’) en een verweerschrift waarin hij onder andere de Joodse wet uitgebreid behandelt (Contra Apionem, ‘Tegen Apion’). Een werk over de gebruiken van de Joden, dat hij ergens aankondigt, is nooit gevonden. Waarschijnlijk is hij daar niet meer aan toegekomen.

Josephus wordt geboren in een vooraanstaande priesterfamilie in Jeruzalem. Zijn jeugd en opleiding spelen zich af in en rond de Tempel en op grond van zijn afkomst behoort hij tot de elite van Judea. Een uitvloeisel daarvan is zijn politieke carrière: een carrière die rustig begint, maar in een stroomversnelling komt door de broeierige situatie waarin Palestina zich bevindt vlak voor het uitbreken van de oorlog tegen de Romeinen.
Als diplomaat wordt Josephus naar Galilea gestuurd om orde op zaken te stellen. Eerst moet hij daar de onrust tussen de Joden onderling sussen. Als de Romeinen zich in het interne conflict gaan mengen, strijdt hij tegen hen, totdat hij gevangengenomen wordt in die ene grot in Jotapata. Als krijgsgevangene trekt hij vervolgens mee met de Romeinen en doet herhaalde pogingen de Joden ertoe over te halen hun verzet op te geven. Zo maakt hij de strijd om Jeruzalem van de andere kant mee –niet slechts als krijgsgevangene, maar als
propagandist. Zijn inspanning blijkt echter tevergeefs te zijn: de Romeinen nemen Jeruzalem in en verwoesten de Tempel, het Joodse volk wordt verslagen.
Na de vernietiging van Jeruzalem gaat Josephus mee naar Rome, waar hij de rest van zijn leven zal doorbrengen. In Rome begint zijn carrière als schrijver; hij wordt Romeins staatburger en zijn Joodse naam ‘Jozef’ verandert in ‘Josephus’.


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.